|
Het opgaand werk was in 1889-1890 tot grote hoogte schoongebikt, maar op het gewelf was de beschildering door J.C. Dickmans uit 1840 gehandhaafd. In 1981 is deze verwijderd ten gunste van de oorspronkelijke decoratie daaronder. Deze bestaat uit een Engels rood ribbennet, ‘zwevend’ zoals in het koor, doordat het rood abrupt, zonder manchet of afzettende contour, even onder de boog- en ribgeboorte zijn aanvang neemt. Bij alle sluitstenen zijn de ribben van manchetten voorzien, bestaande uit een zwart-op-wit kepermotief op de peerkraal, begeleid door verguldsel op de overige profielen, dat aansluit bij het verguldsel van het bladornament der gewelfschotels. De schildbogen hebben elk een drietal manchetten van witte banen. De decoratie op de velden is in zwarte lijnen en arceringen als schaduwwerking opgezet en bestaat uit bussels gebladerte, ranken en fantastische bloemen, die vanuit de sluitstenen uitwaaieren. Naar de vensters toe zijn de gewelfvelden blank gelaten, alleen de kruin van de velden tegen de schildbogen is met een kandelabervormige plant beschilderd. In de ranken tussen de bladeren hangen naakte menselijke figuurtjes, een konijn, aapjes en fabeldieren, zich met handen en klauwen vasthoudend. De locale kleurinvullingen met rood, groen, karnaat zijn tot geel en bruin verbleekt, zodat het karakter nog meer lineair is geworden en op de techniek van houtsneden gelijkt. Waarschijnlijk ligt ook de ornamentatie uit houtsneden en gravures ten grondslag aan deze compositie en haar motieven. Het bladwerk, de hogel-achtige ‘Blattkrabben’, de knolgewassen en exotische bloeisels, maar ook de aapjes, vogels, draken, vindt men in laatgotische handschriftverluchtingen van Nederlandse meesters en in laatgotische gravures van Nederlandse en Duitse meesters terug, zoals in een Nederlands Getijdenboek van tegen 1500 (miniaturen), de houtsneden van Jacob Cornelisz van Oostsanen (± 1470 - ± 1533), de gravures van Israhel van Meckenem (overleden in 1503), Martin Schongauer (± 1450 - 1491), de meester E.S. (werkzaam tot 1467), de meester W.A. (rond 1500 werkzaam), de Speelkaartenmeester en de meester van de Berlijnse Passie (± 1460 werkzaam).123
Er is geen directe samenhang te bespeuren met de gravures van Alart du Hamel, maar dat sluit niet uit, dat de gewelfschilderingen uit zijn tijd dateren. De chronologie laat ruime marges toe, tussen ± 1470 en 1530. Misschien echter is juist in dit bouwdeel, het noordtransept, het nieuwe decoratieschema met rode ribben en bladwerk waarin mens- en dierfiguren, het eerst begonnen, al vóór de voltooiing en beschildering van het koor der Lieve Vrouwe Broederschap (1516-1517). Het is mogelijk, dat het gewelf van dit noordtransept al gemetseld was in dezelfde tijd waarin het gebrandschilderd glas van Philips de Goede vorderde of gereed was, in of kort na 1450-1451, en dat die beschildering gereed was voordat het kapittel van het Gulden Vlies in 1481 het noordtransept als entree benutte om vandaaruit het hoogkoor te bereiken. Vanaf de keuze van dit decoratieschema met rode ribben werd het ook toegepast op al oudere bouwdelen (hoogkoor, omgang, straalkapellen) en op nog te bouwen partijen (Broederschapskapel, Salvator- of Backxkoor, zuidtransept, hoogschip, maar niet de schipzijbeuken).
| 314 |
| Noten | |
| 123. | Hoogewerff, o.c. (zie noot 5), 1, 214-215 (handschrift in museum van Krakau: vaas met ranken en bladeren waarin figuurtjes omvangen zijn); M. Lehrs, Geschichte und kritischer Katalog des deutschen, niederländischen und französischen Kupferstichs im XV. Jahrhundert, 9 dln., 1908-1934; F.W.H. Hollstein, Dutch and Flemish Etchings, Engravings and Woodcuts, ca. 1450-1700, 25 dln, Amsterdam 1949-1981; Dez., German Engravings, Etchings and Woodcuts, ca. 1400-1700, 28 dln, Amsterdam 1954-1980; P. Jessen, Der Ornamentstich, Berlin 1920, I. Randversieringen in houtsneden als tekstomlijsting bijv.: La mer des hystoires, Parijs, Pierre le Rouge, 1488 (Catalogus Het Geïllustreerde Boek in het Westen, Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 1977); Keulse Bijbel uit ± 1478-1479, gedrukt door Heinrich Quentell, drukwerk van Christiaan Snellaert te Delft en Jacob Bellaert te Haarlem, beiden rond 1480, en vele anderen (A.M. Hind, An Introduction to a History of Woodcut, 1935, Dover Edition New York 1963, 2 vol., 360, 572 en 576). |
C. Peeters, De Sint Janskathedraal 's-Hertogenbosch (1985) 314
Paul le Blanc, Kerk in kleur (2002) 83-90
Jan van Oudheusden, De Sint Jan van 's-Hertogenbosch (1985) 25
C. Peeters, De Sint Janskathedraal 's-Hertogenbosch (1985) 314